De Malpie Noord-Brabant

Vennen

 

| update | colofon | contact|

  Home

Vennen
.

Inleiding

Vennen zijn doordat ze constant aan verandering onderhevig zijn erg kwetsbaar. Ze worden het meest bedreigd als de grondwaterstand gaat dalen. Maar wat zijn nu eigenlijk vennen of heidevennen? Een ven wordt ook wel een klein meer genoemd. Met meren worden in veel gevallen de wat grotere en diepere vennen bedoeld.

De naam Wasven komt vaker in Brabant voor, zo ook in Valkenswaard. Vroeger werd in deze vennen de schapen gewassen voordat ze geschoren werden. Dat geeft wel aan dat de kwaliteit van het water en de bodem goed moeten zijn geweest anders ga je daar je schapen niet in wassen.

Het Molenven werd gebruikt als wateropslag voor de Venbergse molen als het riviertje de Dommel een te hoge waterstand had.

.

Pleistoceen tot nu

Wij leven nu in het Quartaire tijdperk, Het Quartair kun je onderverdelen in het Pleistoceen en het Holoceen. In het Pleistoceen had je veel ijstijden. Het Holoceen was de periode die na de ijstijden kwam. In het Pleistoceen zijn er 6 ijstijden (glacialen) geweest. Tussen deze ijstijden zijn andere tijden (interglacialen) geweest die je met ons huidige klimaat kunt vergelijken. De laatste ijstijd is ongeveer 10.000 jaar geleden geweest en wordt Weichsellen genoemd. Daarna kwam het Holoceen.

.

Brabant

Brabant is nooit met landijs bedekt geweest. De bodem is maar tot enkele tientallen meters diep bevroren geweest, Er is haast geen plantengroei aanwezig geweest. Vroeger leefden hier wel rendieren. Er is veel sneeuw gevallen tijdens het Weichsellen. Het smeltwater daarvan kon in de zomer niet wegzakken in de bodem omdat alleen de bovenste laag ontdooide. In de Pleniglaciale periode heeft het smeltwater ook veel zand en leem verplaatst door de wind. Die voornamelijk zuidwest is geweest. Daardoor ontstonden in Brabant dekzandruggen die met zand en andere materialen bedekt waren. Zo’n dekzandrug loopt ook bij de Malpie bij Valkenswaard. Dat is nog te zien aan de vorm van de vennen: een langgerekte vorm van zuidwest naar noordoost met zandophopingen bij de noordoostzijde.

.

Ontstaan van vennen

Bij het ontstaan van vennen kunnen het ijswater, het ijs, het stromend water, de wind, de afspoeling en de veengroei, die vennen kunnen doen ontstaan door de beekdalen en plantengroei, een belangrijke rol hebben gespeeld. In het Holoceen steeg het grondwater en liepen al die laagten weer vol met water. In die tijd zijn er veel vennen ontstaan. De beddingen van de Maas raakte verstopt door ijsschotsen en zand en daardoor zocht het water naar een andere weg. Er ontstonden toen waterplassen. Heidemeertjes– of vennen bestaan voor een groot deel uit stuif- en dekzand. Ze kunnen tijdens een korte of lange periode in een jaar volledig droogstaan.

De ondergrond van vennen kun je verdelen in vennen met een niet doorlaatbare ondergrond en met een doorlaatbare ondergrond. Bij een niet doorlaatbare bodem zakt het regenwater niet weg in de bodem. Als het grondwater zakt bij een doorlaatbare bodem, dan daalt ook de waterspiegel in het ven. De Malpievennen zijn daarvan een voorbeeld. Er is plaatselijk een podzolprofiel zichtbaar. De bodem bestaat voornamelijk uit grof zand met grind.

.

Achteruitgang van vennen

Door o.a. het afsteken van heideplaggen om dienst te doen als stro voor de dieren ‘s winters, kon het dekzand weer wegwaaien richting vennen. Hierdoor zijn ze weer gedeeltelijk of helemaal vol zand gewaaid. Andere vennen zijn dichtgegroeid met veenmossen en daardoor ontstond veenvorming. Dit veen hebben de mensen ook weer uitgegraven omdat ze dat konden gebruiken als brandstof. Door het uitgraven kon het ven ook weer vollopen met water. In Brabant wordt dat klot genoemd en worden dat soort vennen ook wel klotvennen genoemd.

Ook bomen onttrekken veel water uit de bodem voor hun groei.

De bodem van veel vennen is beschadigd doordat er een gat werd geslagen in de ondoordringbare leemlaag of ijzeroerlaag om het vee te laten drinken. Hierdoor werden de vennen lek.

Bij droogval van vennen kunnen er scheuren in de bodem ontstaan en kan het regenwater direct wegzakken naar beneden. Bij neerslag kan het bodemmateriaal weer zwellen en kunnen de scheurtjes weer dichtgaan. Je kunt het beste dus niet in drooggevallen vennen gaan lopen om scheuren te voorkomen!

.

Kenmerken van vennen

  • Vennen zijn ongeveer 1 tot 4 hectare groot en zijn meestal ondiep.

  • Het veen wordt langzaam gevormd en ligt vaak in het midden van grote vennen aan de zuidwestkant.

  • Door westenwinden wordt de oostoever schoon geschuurd. En ligt daar een helderwitte zandbodem. Daar kun je de waterlobelia, oeverkruid en biesvarentje vinden.

  • Aan de westzijde komt humus terecht door de golfslagerosie. Daar vind je de drijvende egelskop.

  • Bij stilstaan water of zwakke stroming kom je ook wel moeras-vergeet-mij-nietje tegen.

  • De vennen hebben een zuivere zandbodem. In de modderbodem komt er boven de waterspiegel hoogveenplanten voor

  • o.a. veelstengelige waterbies, de moerasrus en het oeverkruid.

  • In vennen die wat dieper zijn, tref je in het midden ook drijvende waterplanten aan.

.

Vegetatie Vennen

Weinig voedsel en veel humus

Veenmossen, snavelzegge, wollegras, zonnedauw, lavendelheide.

 

Redelijk voedsel, minder humus

Biesvaren, waterlobelia, overkruid.

 

Grens voedselarm

Moerasherts-hooi, pilvaren, kleine waterweegbree, vlottende bies, ongelijkbladig fonteinkruid, teer vederkruid, ondergedoken moerrasscherm.

 

Schoon water en veel voedsel

Gewoon blaasjeskruid, krabbescheer, grote fonteinkruiden, riet, lisdodde.

 

Vervuild water

Liesgras, waterpeper, gele waterkers, tandzaad, moerasherts-hooi, knolrus, snavelzegge, witbloemige waterranonkel.

 

Voedselarm

Pitrus, kruipend struikgras, watersnavel, gewimperd veenmos, tandzaadsoorten, duizendknoop-soorten, rosse vossestaart

 

 

Update 21-10-2007





  Vennen
  Heide
  Wilde planten
  Gras/varens/mos
  Paddestoelen
  Bomen/struiken
  Insecten
  Spinnen
  Vlinders/libellen
  Amfibieën/reptielen
  Vogels
  Zoogdieren
  Bronnen